Veertig aan de wand voor Peter Huchel
Door de prangende hitte
Schaars
Vóór de kudde
- bedachtzaam nu -
De dood van een sterrenkundige
Hij moest sterven zeggen ze
Mieren zeggen ze hebben hem
opgevreten
Zijn hemelse bedriegstertjes
zeggen ze
Hij was eenvoudig niet van
deze wereld zeggen ze
Hij moest sterven zeggen ze.
Geurige scherven van de dood
V
Mohammed Alaoui Belrhiti
De rat
We zijn niet vrij
Tomas Jastrun
(Polen)
De grote leugens
De grote leugens
hun benen
de armen
Erich Fried Uit: “De schreden van de nacht in het gras”, POINTnr 13
Plotseling. Uit het niets.
Tot stikkens toe. Bij de keel.
De logika naar de duivel.
Eeuwige oorzaken. En duurzaamheid.
Blaga Dmitrova Uit: “Kijken in een waterput”, POINTnr 15
Asters
De waarheid
in een kleine beweging bloeit
iets helders Hoshino Tomihiro
Haiku
De herfst komt nader Kyoshi Uit: “7 x Japan”, POINTnr 18
Herfst te brugge
Bomen gieten hun loof van
koper uit
Half onderdrukt een zucht; er
valt een traan, Een engel duwt de wijzer van de klok
en rijgt, om de minuut, in
zijn droefgeestigheid
De brakke wateradem is ver
weg.
Josep Carner Uit: “De koele hoeken en kanten van de schaduwt”, POINTnr 19
Pas als de bomen geteld zijn en het loof
blad voor blad naar de
openbare diensten wordt gebracht
Shut up. Een andere aarde,
een ander huis.
Christoph Meckel Uit: “Want jullie dromen zijn bedrog”, POINTnr 20
Gedicht
Op het ogenblik dat ik toe
wou slaan
Guy Goffette Uit: “Toevertrouwd aan de tijd”, POINTnr 23
Genese
Elk gedicht begint des
ochtends, bij zonsopgang. Zelfs
Nuno Júdice Uit: “Hoor de kleine kreet”, POINTnr 24
"Gesprek
met het zwijgen –
De vijfentwintigste bundel in de
POINT-reeks was een hommage aan een van de grootste Duitstalige dichters
van de twintigste eeuw: Peter Huche!. Veertien jaar lang was hij
hoofdredacteur van het Oost-Duitse Sinn
und
Form, in
die tijd een van de belangrijkste literaire tijdschriften van Europa. Deze
uitgave wil een eresaluut zijn aan deze dichter-uitgever die, voor de
vrijheid van het woord, onwillig om aan het bedrijf der politieke (mis-)
leiders deel te nemen, verstoten en geïsoleerd
werd en in exil stierf. Peter Huchel,
1903
in Lichterfelde bij Berlijn geboren, bracht
zijn jeugd in Mark Brandenburg door, waardoor vooral in zijn eerste
verzenbundel het Brandenburgse landschap, de eenvoudige lieden maar al ook
de natuur, onvervangbare ingrediënten zouden worden. In 1940 werd hij tot
de Wehrmacht
geroepen en verbleef na de oorlog enige tijd in Russische gevangenschap. Hij
kiest voor Oost-Duitsland (al heeft hij nooit eenpartijkaart gehad), waar
hij pas in 1948 met een bundel debuteert die hij zonder veel pretentie
"Gedichte" titelt en die later licht gewijzigd, als Sternenreuse.
Gedichte 1925-1947" (sterrennet), in West-Duitsland uitgegeven wordt. Aanvankelijk wordt Huche!,
samen met Günter Eich, Krolow en Langgässer,
navolger van de natuurdichters Lehmann en Loerke gecatalogeerd. Ten
onrechte. Ook al is de natuur een onvervangbaar basiselement in zijn werk,
hij is geen zuiver natuurdichter. Veeleer is de natuur tegelijk medium en
penseel, waarmee hij zijn beeldrijke metaforen schildert, waarin evenwel
de mens
zelden of nooit afwezig is. Typisch voor de "hucheliaanse " poëzie
die bij de jongeren behoorlijk wat navolgers telt, is de combinatie
natuur-mens, de opeenstapeling van metaforen, grote soberheid én
enorme woordkracht, een eigen mythologie, gedeeltelijk met bijbelse of
klassieke elementen doorspekt, die al dan niet in de actualiteit worden
verzet. Huchel is een woordvirtuoos, die alle registers van de taal
opentrekt om ze vervolgens tot haar soberste, puurste vorm te reduceren.
Zijn compleet oeuvre beslaat slechts vier bundels, een productie van 4 à
5 gedichten per jaar! In zijn eerste bundel lijkt de
wereld nog vredig, alhoewel een aantal gedichten, waaronder “De
terugtocht", in een paar
regels de gruwel van de tijdloze broedermoord schildert, gruwel die iedere
oorlog was en nog steeds is, de machiavellistische beelden van de media
ten spijt. Van 1949 tot 1962 was Huche!
hoofdredacteur van "Sinn und
Form".
Onder zijn beleid werd dit internationaal literair tijdschrift het
belangrijkste van het hele Duitse taalgebied. Aanvankelijk had de Führung
van de Arbeiter-
und Bauernstaat
andere katten dan de literatuur te geselen. Maar toen het systeem
begon te functioneren besliste de partijleiding dat de kunst, dus ook "Sinn
und Form ",
tot
meerdere eer en glorie van het socialistisch ideaal diende aangewend te
worden. Huchel weigert. In 1953 kon vriend
Bertold
Brecht het ontslag van Huchel, die alleen voor literaire en niet
partijpolitieke kwaliteiten oog had, nog net voorkomen. Met de dood van
Brecht
was zijn lot bezegeld. Hij wordt als hoofdredacteur ontslagen en pleet geïsoleerd,
de publicatie van zijn poëzie wordt verboden, alle contacten met het
Westen afgesneden, (geschaduwd) bezoek wordt schaars: “Ik splijt hout, het taaie, splinterige hout van de eenzaamheid" schrijft
hij. De laatste door hem geredigeerde
publicatie van "Sinn und
Form"
wordt een bittere afrekening met De Partij en bevat profetische woorden,
zoals in het befaamde gedicht "De tuin van Theophrastus",
opgedragen aan zijn zoon, de nakomelingen: "Ze
gaven het bevel, om de wortel te rooien/Je licht zinkt, weerloos loof".
"Ze" staat duidelijk voor de machthebbers, "het loof"
ongetwijfeld voor de dichter, de poëzie. De dichter trekt zich terug in
de taal die steeds een richel voor
het vuur is geweest. Een jaar later verschijnt "Chausseen
Chausseen", die een behoorlijk aantal prachtige "panoramische"
gedichten bevat, maar ook een striemende
afrekening
is. Deze grootse bundel, zonder rijmfranjes en nog soberder
dan
Huchel’s eersteling, begint met het gedicht "Das Zeichen"
(het teken). Wie schreef/De
waarschuwende tekens/Nauwelijks te ontcijferen? De bundel
wordt afgesloten met de profetische woorden: ...De woestenij wordt geschiedenis/ Termieten schrijven haar/Met hun scharen
in het zand/En niet gevorst zal worden/Een geslacht/ ijverig strevend/Zichzelf
te vernietigen. De mens Huchel is aangeslagen,
ontgoocheld en verbitterd: "Gevangen
ben droom/Je enkel brandt/Verpletterd in het vangijzer. Na
bijna tien jaar zo goed als complete isolering, mag de oude man door grote
druk uit het Westen, de DDR verlaten. Hetzelfde jaar, in 1971, verschijnt "Gezählte
Tage", zijn derde poëziebundel. De dichter is nu vrij,
maar verbannen. "'s Avonds
komen de vrienden/de schaduwen van de heuvels/ze treden langzaam over de
dorpel/verduisteren het zout/verduisteren het brood/en voeren gesprekken
met mijn zwijgen", heet het in "Exil". De dichter weet
zijn dagen geteld. De poëzie wordt nog archaïscher, wordt (nog meer)
codetaal. Wie gaat achter het openingsgedicht "Ophelia" de
Griekse hulpkreet zoeken, de verwijzing naar Macbeth, naar de kreet van
een jonge vrouw die door de grenswachters van de ex-DDR dodelijk getroffen
wordt? Huchel is verbitterd. Zelfs de roos in een glas ziet hij als een
wonde in de lucht. Vier jaar
voor zijn dood verschijnt zijn laatste bundel, "Die neunte
Stunde" (Het negende uur), de tweede bundel die met zijn
codecijfer negen, weer naar het levenseinde verwijst. In hetzelfde jaar
(1977) ontvangt Huchel de Europaliaprijs. Hij sterft in
de lente, op 1.5.1981 in Staufen/Freiburg.
Erwürgte Abendröte Nächte mit Lungen voll Rauch, Tote, +++ Wegen Gewurgd avondrood Nachten met longen vol rook, Doden,
aan mijn zoon Als 's middags het witte vuur
"Om de vonken" Gedichten
van Elisabeth Kappner
Je
zei: 'Mijn dansend vlindertje' Ik leunde aan je knie jouw hand woog op mijn haar -
Hoe
moet ik jou nu
zoeken,
zo ver weg, mijn liefste,en de
liefde die me meevoer naar de toegang tot de boom,
Hoe
moet ik jou nu zoeken, zo ver weg,
Hoe moet ik jou nu zoeken mijn liefste, in de tijd,
Hoe
moet ik jou nu zoeken, zo ver weg,
Gioconda Belli
(Nicaragua) Uit: “¡No pasarán! - ¿No pasarán?”, POINTnr 27
"Eeuwig als het ogenblik –
Het is onze gewoonte naar Europa en de Verenigde Staten te staren alsof dat
de navels van de wereld zijn. Door de eerste wereldoorlog werd een
explosie veroorzaakt die de maatschappij tot in haar grondvesten roerde en
op
haar beurt een artistieke en intellectuele explosie teweegbracht. Door
zoveel beroering in de eigen tuin hadden wij nauwelijks of geen oog voor
de belangrijke veranderingen die zich tegelijkertijd in andere landen
voordeden. Als wij de grote dichteres, de benedictijnse kloosterzuster Juana
Inés de la Cruz (1651-16%), de Hadewijch van Mexico
buiten beschouwing laten, kunnen wij zeggen dat de in het Spaans
geschreven Mexicaanse poëzie pas met de Contemporáneos
weer een internationaal niveau bereikte, een literaire weging die ongeveer
tegelijkertijd met de Spaanse Generación
del
27 opdook.
De beweging was een ongeëvenaarde poëtische bliksemschicht die de
moderne Mexicaanse poëzie, ingeluid door de dichters José Juan Tablado
en Ramón Velarde, nog steeds beïnvloedt.
Met López Velarde sloeg de Mexicaanse poëzie
een nieuwe weg in: koortsachtig werd de moderniteit, het eigentijdse
nagestreefd, een nooit eerder gebruikte taal met een nieuwe inhoud,
vermengd met ongebruikelijke woorden. In tegenstelling met de andere literaire beweging, de estridentes,
die futuristische en dadaïstische trekken vertoonde, hadden de
contemporáneos nauwelijks oog voor
de maatschappij. Het waren revolutionairen van de kunst, apolitiek en van de
massa gescheiden: de la poésie avant toute chose. Alhoewel de hedendaagse Mexicaanse poëzie ontegensprekelijk haar eigen
karakter heeft, hebben de grote literaire
bewegingen van het oude continent hun sporen achtergelaten: het
surrealisme van André Breton en Antonín Artaud die het land bezochten,
Valéry die de contemporáneos fascineerde
en later de Spanjaarden die zich in Mexico vestigden om aan de klauwen van
Franco te ontsnappen: Luis Buñuel en de dichters León
Felipe, Luis Cernuda, Rafael
Alberti,
Emilio Prades enz. Octavio Paz en Efraín Huerta namen
de poëtische toorts van de contemporáneos
over en richtten het tijdschrift Taller
op. Een ander belangrijk schrift uit die tijd was Tierra Nueva, waarin
All Chumacero met zijn kort maar magistraal poëtisch werk debuteerde. Bij
het koor van reeds gevestigde dichters voegden zich in de jaren vijftig en
zestig nieuwe stemmen, waaronder: Rubén Bonifaz Nuño - een zeer
persoonlijke stem - Jaime Sabines, Juan Bañuelos, Marco Antonio Montes
de
Oca, Homero Aridjis en José Emilio Pacheco. Ook de vrouwen
laten zich in de Mexicaanse poëzie niet onbetuigd, Rosario Castellanos,
Carmen Alardín en Enriqueta Ochoa zijn
enkele van de belangrijkste vertegenwoordigsters. Germain Droogenbroodt
Pausas
II No canta el grillo. Ritma Mide Traza La buena gente piensa De krekel zingt niet. Hij geeft Hij meet Hij tekent Maar de goegemeente denkt ++++ Dibujos sobre un puerto
a Roberto Montenegro
El paisaje marino
Beschrijvingen van een haven
aan Roberto Montenegro 1. De dageraad Met donkere kleuren
"Spinragbloemen – Flores de
telarañas"
Hij
kwam met drie wonden, die van het leven, die van de liefde die van
de dood,
schreef
Hernández over zichzelf. inderdaad, de liefde werd
afwezigheid en tijdens zijn leven werd hij
ongenadig door het noodlot vervolgd. En de dood? Hij
stierf aan uitputting, amper eenendertig jaar oud... Miguel Hernández Gilalbert
werd op 30 oktober 1910 als zoon van een arme geitenboer in Orihuela/Alicante
geboren. Op vijftienjarige leeftijd moet hij de school verlaten om de
kudde geiten van zijn vader te hoeden. Als jongeling begint hij regelmatig
zijn impressies in een cahier neer te schrijven. Zijn barokke verzen zijn
lofzangen op
de natuur en zijn geboortestad, waarin de invloed van Spaanse dichters Bécquer,
Juan Ramon Jiménez en de locale
Gabriel Miró zwaar doorwegen. Hij realiseert zich evenwel de beperktheid van zijn
culturele bagage. Zonder geld trekt de
eenentwintigjarige eind 1931 met
een schrift gedichten naar Madrid, de Olympus der Spaanse dichtersgoden.
Hij bereikt er niets, maar de confrontatie met de literaire actualiteit
opent zijn ogen. Zeven maand later verschijnt zijn
debuutbundel Perito
en lunas
(maanexpert), een poëtische tour de
force. Het jaar 1935 is niet alleen voor de ambitieuze dichter
belangrijk, maar ook voor het literair leven in het politiek
roerig Spanje waar de republiek uitgeroepen wordt. Van cruciaal belang
in het leven en in het werk van Hernández is zijn vierde reis naar Madrid
en de daaruit voortvloeiende
vriendschap met de Spaanse dichter Vicente Aleixandre
en met Pablo Neruda die
in hetzelfde jaar het tijdschrift Caballo
verde para la poesía opricht,
waaraan Hernández meewerkt. Het poëtisch en
ideologisch gedachtegoed van beide dichters wordt voor Hernández
een keerpunt en breuk met de periode van Orihuela. Met
EI rayo
que
no cesa (De
bliksem die niet wijkt), bevestigt hij zich als volwassen en belangrijk
dichter. Maar wat Hernández het
meest zal bewegen is het plotselinge sterven van zijn jeugdvriend en
mentor Sijé. In geen tijd componeert hij voor de overledene een elegie,
waarin hij alle "Hernandiaanse" registers: liefde leven, dood,
natuur emotie religie en retoriek op virtuoze wijze opentrekt. Met deze Elegía voor
Ramón Sijé, die in het prestigieuze Revista de Occidente van
Ortega y Gasset verschijnt, oogst de dichter alom lof en
erkenning. In 1936 breekt de burgeroorlog uit. De herder van
weleer voelt zich met het onderdrukte volk verbonden en kiest als
vrijwilliger partij voor het republikeinse leger. Tijdens de oorlog,
waarvan hij de eerste periode in
de loopgrachten doorbrengt, schrijft hij militaristische gedichten die
in het soldatentijdschrift Al Ataque
gepubliceerd
worden die achteraf onder de titel Viento dei
pueblo
(Wind van het volk) verschijnen. Ze
worden evenwel algemeen als een afwijking in het poëtisch oeuvre
van de dichter gezien en zijn in een populaire, communicatieve stijl
geschreven. De bundel bevat echter een aantal prachtige, sociaal geëngageerde
gedichten, waaronder Het ploegkind,
Lied van de echtgenoot-soldaat en
de Olijvenoogsters. De daaropvolgende bundel El hombre acecha (De
belaagde mens), is reeds door de desillusie om de naderende nederlaag,
lees verloren illusie, getekend. In 1939 heeft Franco de oorlog gewonnen. Hernández
vlucht naar Portugal maar wordt door de
Portugese autoriteiten opgepakt en aan de Spaanse Guardia Civil
uitgeleverd. Begin januari 1940 wordt hij ter dood veroordeeld. Door de druk
van binnen- en buitenlandse intellectuelen wordt zijn straf in dertig
jaar internering omgezet. De levensomstandigheden in de gevangenissen zijn
mensonwaardig. Hernández doet
er een longontsteking op. Zijn
laatste gedichten, die pas vele jaren na zijn dood als Cancionero y
romancero
de
ausencias
gepubliceerd kunnen worden, zijn hoofdzakelijk gedichten van liefde en
ontstentenis. Op 28 maart 1942, op de vooravond van palmzondag, sterft hij
aan ontbering in de gevangenis van Alicante.
Canción
última Pintada, no vacía: |